Vriendelike diens

“More morena”

“Agee Babba. Hoe gaan dit?”

“Dit gaan goed met my, dankie. Hoe gaan dit met jou?”

“Eeeh Babba”

“Maak asb vol”

“Moet ek die olie en water check?”

“Nee dankie, hulle is ok”

“En die tyres?”

“Nee dankie, hulle is ook ok”

“En die windshield, moet ek hom was?”

“Nee dankie, hy is ook ok. Maak net vol asb.”

“Leaded of unleaded?”

“Unleaded asb morena”

“Ninety three of ninety five?”

“Ninety five asb”

“Die ninety five is op, ons het net ninety three”

“Ok, dan ninety three”

“Ok Babba”

“Ke a leboga, morena”

“Eeeh, Babba”

 

Advertisements

Lewies se voorgeslag: Die oggend van die vorige dag

Ek vielde in een onrustig slaap, geplaagde door nachtmerrie dromen. Ik vinden mij weer terug bij dat reusachtig kasteel, Tijgervallei Sentrum, maar nu ben ik in de centrum self. Er zijn vele mensen die de klein koetsjes vol parcelen rondstoot, ende buite de gebouw is een grootte plein. Hier staat vele grote koetsen, van veelkleurig metaal gefabriceren, waarin de mensen dan de parcelen deed. Nergens is een paard of andere trekdier te bespeuren. De koetsen zijn of selfaangedrewe of de trekdieren skuilde in de neus der koets. Daar zijn ook geen teugels waarmee de koetsier de koets reguleerde, maar een wiel die de koetsier in zijn hande houden. Nog vreemder is de manier waarop de mensen elkander groeten. Hulle sloegte hard op de wiel wat dan een onaardig “parp parp” skreeuwgeluid veroorsaken ende groet elkander dan door de middelvinger omhoog te wijsen.

 Eenkant op een bankje zat een oude man, zijn baard zijnde lank ende grijs. Hij ziet er erg bezwaard ende bedrukt uit. Hij prewelde in een bekommerd stemtoon “ Ik ziende de rooden ossen komt van over de zee. Hun tuimelt onzen pappotte ondersteboven ende vertrapten onzen landerijen. Ik ziende blaauwen  bulle uit de noorde komt, ik ziende een groot gevecht op een nieuwe land. Ik ziende een gouden beker. Ik ziende…ik ziende” en daarmee vervaagte de beeld van de siener.

 Toen ik de oggend ontwaken, voelde ik als een dier die gif hebben gevreten. Mijn mond voelde alsof een vreemdsoortig nagtdiertje erin heeft ontlassen. Mijn hoofd voelde als een kokosneut die van groot hoogte heeft neergevielde. Mijn hersens voelde alsof zijn in een boterkarring ben geroerde. De warm, sagte hand van mijn eigen Madame Pompadour veegte liefderijk over mijn wang. Als ik mijn ogen moeizaam opendeed, ziende ek egter dat het een der werfhonde zijn die mij in de gesigt lekte. Als ik luidkeels protesteerde, kwam Madame Pompadour tevoorscijn met een bekertje in haar hand. “Mijn armen Lewies, gij suffert van een horribaal babelas. Drinkt van dit kruidenthee, gij sullen in een jappetrap beter voelde” Zij offerte ook aande Appolonius een bekertje van dit geurig vloeistof, Hij zat onder een boom met zijn hoofd in zijn handen ende met een uitdrukking alsof hij doodstyding ontving op zijn gelaat.

Lewies se voorgeslag:Die aankoms by Sarah L’Homme de Barbarossa

Nu, na alle dese hebt gebeuren, besteegd ik de trouwe Pegasus, met de voorneme een bezoek bij de fraaie Sarah L’Homme de Barbarossa, mijn eige Madame Pompadour, af te leggen.

 “Allez ! allez! Appolonius!” riep ik, “ te paard, te paard!”  Appolonius slingerede met onzeker tred naar zijn paard .

 “Fokken ezel, staat stil!” swetste Appolonius. Hij mikt een schop naar zijn paard, maar troffe niet ende viel in de stof neer. Met vele moeite slaag hij daarin de dier te bestegen.. Als ik naar hem keek, zijn iets niet in orde. Het is echter eers de moment hij de dier flink in de lieste kappen ende hij met een stofslag op de aarde neersloegen dat ik besef hij deed de paard agterstevoor bestegen, met zijn aangesicht naar de paard zijn poeperd.

 Voordat wij vertrokken vulde ik een wijnzak, geprakseerden uit een swijnen blaas, met jenever. Zo ver wij rijden neemde ik ende Appolonius elk dan ende wan een slok of twee.

Het is reeds sterk schemer toen wij bij de werf van Sarah L’Homme de Barbarossa, mij eige lieve Madame Pompadour, aankomen. De honde op de werf blafde verwoed en skopt een groot kabaal op. Uit een van de huisjes op de werf treed zij na vore, mijn eige lieve Madame Pompadour. Ik ligte mijn hoed van mij hoofd haar te groeten en sprongde rats van mijn paard, maar mijn voet raakte verstrengeld in de stiebeuel ende ik sloeg in een stofwolk voor haar voete neer. Als ik orent zukkelde besefde ik dat de zon ende jenever een geslepe alliantie tegenover mij heb gevormd—mijn bene wankelde onzeker ende met mij uitgestrekte hand gericht naar Sarah L’Homme de Barbarossa, mijn eige Madame Pompadour, struikelte ik ende sloegte weer neer met die groet “Madame Pompadour”op mijn lippen. Mijn lippen zijnden egter zonder enich gevoel, en weierde hun samewerking te geven ende dit groet ontsnapt als “Mampoer.”

Sjoe, nee nou moet ek ook eers ietsie vat. Die manuskrip het nou erg verbleik en die ontsyfering vorder stadig. Dalk het ek teen die naweek weer iets gereed.

 

Lewies se voorgeslag Die resultaat van die proefneming in die vallei

Dit het heelwat geduld gekos, maar ek kon daarin slaag om nog ‘n gedeelte van Lewies die Ouere se dagboek te ontsyfer. Hier volg dit. Daar is nog, maar dit is nou erg verweerd en ek sal dit seker eers teen more, oormore gereed hê.

 “Om een lange verhaal kort te snijden, de distillaat den Afrika jenever besjes zijn helder as cristal, ende ik maakt een glas kelkje vol.

 “Fok Lewies, zijn je bedonnerd?! Gij kan niet dit troewel paardenpis drinken! Gij zullen op de plaats vrekken! Ende besefde toch nu eens, dat zijn niet een wijn kelkje in jouw hand, maar een skepbeker!” Weer de slaaf, Appolonius.

 “Mijn lieve slaaf van Bataafje,” segde ik ietwat hooghartig, “ dit distilaat zijn zuiwer als de oggendmis op mijn geliefde Amstel. Ik ging een kelkje beproefde ende dan ging ik bezoek afleggen bij de edeldame Sarah L’homme de Barbarossa, mijn eige lieve Madame Pompadour!”

 “Nu moet je maar voort als je wilde, ik heb je gewaarschude.”

 Ik snuifde de subtiele aroma diep in mijn neus op. Het voelde alsof een woedend tijger in mijn longe werden vrijgelaat, maar als dit fors en vurig boeket tot bedaring kwam,  heerste daar een veel genuanseerde geur van vers gekneusde fijnbosch, met een subtiel doch sterk waarneembaar ondertoon der rijp jeneverbesjes ende een vruchtig nasmaak der honing.

 “C’est magnifique!” riep ik verheugd uit.( Frans zijn hoog mode aan de Kaap, la langue en vogue)

 De ploert Appolonius van Bataafje zijn kommentaar zijnde kort en krachtig, in dat nieuwe taal tans aan de Kaap aan het ontwikkeling zijn; “Kak!” Maar wat anders kunnen mensch van een slaaf te wagte zijn.

 Naar een slok of twee, drie neemde de tuisgebrouwde jenever een werklik aangename schmaak aan, en ik ledigde de kelkje. Selfs Applonius doet er mee. Eerlang slong hij zijn armen om mijn schouwders ende hefde een verdrietig lied aan.

 Meteen doemt een newelachtig visioen voor mij op. Een reusachtig kasteel verrijzen voor mijn ogen, een gebouw met velen glas  en lichtjes en blinkertjes, vreemd geklede menschen skarrelen haastig voor elkaar voorbij, sommige stoten kleine koetsjes vol geladen met parcelen. Uit een wolkachtig mistigheid vormen den woorden op het gebouw: “Tijgervallei Sentrum” Het voelde alsof mijn blik voor minuten lank verstar, dan knipte mijn ogen als die van een gehipnotischeerd kip van onder af, ende dit vreemd visioen vervaagt. Als ik Appolonius ervan wilde meedeelt, seg hij met een sleepend tong “Gij ben besopen, Lewies!”

 

Die Lewies voorgeslag

So a la die TV  program “Who the hell am I” wat gaan oor die sg bekendes wat hul herkoms naspoor, het ek ook dieper gedelf in die genealogiese verlede van die Lewiese, en sowaar, met bietjie navorsing, ‘n paar besoeke aan die biblioteek en ‘n ritsery op die internet, slaag ek daarin om die eerste Lewies wat Suid-Afrika uit Nederland binnegekom het, op te spoor. Dit blyk dat hy in 1746 reeds ‘n lappie grond langs die Liesbeekrivier bekom het  en daar ‘n boerderytjie aan die gang gesit het. Wonderbaarlik het sy dagboek behoue gebly, of te wel flenters daarvan, en hieruit kan mens veel te wete kom van hierdie merkwaardige man. Ek plaas ‘n gedeelte hier.

 “Mijn lieve dachtboek, 7 December in de jaar  des Onse Lieve Heere 1748

 Vanochtend, toen die dageraad neerdaalt, ontwaak ik met een gevoel van serieus afwachting. Het zijn de dacht ik reeds lank tevoren bepaald heeft de resultaat mijn proeftneming onderzoeken. Mijn proef zijn namelijk mijn eigen jenever te stooken, als dat luis Willem Adriaan van der Stel enich poging wijn te maken door de Vrijburghers prohibeert, ende zodoende een monopolie scheppen voor de verkopen der zijn eige wijn.  Ik heeft lank reeds, toen ik hier ter lande ben aangekomen, een etnisch jeneverbesje aangetroffen, die in oordaad aan de bosjes hing. Van deze besjes heeft ik nu begonnen jenever te stooken, ende vandacht gaat ik de resultaat beproefen.

 “Appolonius van Bataafje” riep ik mijn slaaf. “Doet mijn paard gereed voor de rit naar de stookketel in de vallei”

 “verdomp Lewies” antwoorde de astrante schepsel, “Ik ben niet jouw slaaf, ik ben jouw broer, mijn naam zijn Apostolius. Vergeet nu hierdie verdomme speletje”

 Voorwaar, de vent toon geen respekte nie! Hij verdient de kats, ende dat zullen hij zekerlijk krijgen!

 Pegasus, mijn paard,  zijn huid schitterde in de vroeg oggend zon. Als ik hen besteeg rijsde hij runnikend achteroor ende staat op zijn achterpote, zijn voorpote driftig kappend in de lucht. Ah, zo een vurig steed zijn mijn harts plezier!

 “Lewies! Krijgt toch nouw de verdomme ezel aan’t lope!” kwam de roepstem des Appolonius.

 “Ik zullen jouw parmantig houwding niet langer duld, Appolonius, ‘betigde ik hem. “als je mij niet respekcteerde wag de kats op jouw”

 “Verdomp Lewies, gij leeft in een droom wereld. Ik ben jouw broer, Apostolius. Komt toch nouw, laten wij naar de stookketel ging.”

 Met een rats trippelgang gallopeerde mijn trauwe Pegasus teen de helling af naar de vallei waar de stookketel versteekt zijn tegen de spioenen der luis Willem Adriaan.

 “ Verdomp Lewies, porde toch maar de verdomme ezel ietwat aan” teemde  Appolonius.

De seven staart kats wag tuis voor dit oneerbiedig schepsel!

Ek kon slegs tot hier Lewies (die Ouere) se dagboekinskrywing ontsyfer. Die teks is moeilik leesbaar agv die ouderdom daarvan en die ou se lelike handskrif. Daarby het hy sy eie ink gemaak van varkgal en hoenderbloed (swijnengal ende kippenbloed) wat deur die jare taamlik verbleik het. Ek is egter nog besig om deur die res van die behoue geskrif te werk en sal dit plaas soos ek vorder.

  

Die Lewies nageslag

Liam ontwaak

Liam wys sy mangels.

Mira die ene onskuld "Wie, ek!?"

Mira die ene onskuld “Wie, ek!?”

Twee onlangse snappies van Mira en Liam. Verskoon maar die beheptheid met die kleinkinders, dis ‘n oupa se voorreg!

Annerdag vertel ek julle weer ‘n skunnige storie.

Goeie nag Suid -Afrika

Ons het vanaand goeie vriende ontvang, lekker gesels, gekuier , geeët en’n glasie of wat rooiwyn geniet. Nadat hulle weg is het ek en Vroukie nog ‘n glasie geniet en U2 geluister, met Pamela die werfhond hier by ons voete. Salig. Maar nou sê ek: Goeie nag Suid-Afrika, goeie nag aan al die bloggers daarbuite.